Het haagse bakkie

 

Koffiekeet

Op de hoek van de Kerkhoflaan staat een vrouwelijke motoragent te telefoneren. Dat is de heren aan het tafeltje links op het terras van De Prinsenvink 1 niet ontgaan
 

‘Die wijven zijn de ergsten’, brommen ze. Een tafeltje verder klaagt Bert over Koninginnenach 2009: ‘De sfeer is niet meer wat het geweest is.’ Zijn relaas wordt onderbroken door iemand die zijn krant pakt. ‘Dat is geen krant, het is de Telegraaf’, roept Frans hem toe. Gelach. Frans is Frans de Leef. Hij stelde in 1999 met zijn broer Jan het boekje Morgen gratis koffie, koffietenten in en om Den Haag samen. Een echt Haags koffiehuis (koffietent) is volgens dit boek een vrijstaand keetje waar ondernemers ’s ochtends (vanaf 6.30 uur) voor het werk een bakkie doen. Het is een fenomeen dat je vrijwel alleen in de omgeving van Den Haag tegenkomt. Folklore dus, iets om trots op te zijn, maar de oorsprong en het voortbestaan ervan zijn minder romantisch.

 
 

We gaan terug naar het jaar 1880. Het Haagse straatbeeld werd toen getekend door ‘dronken Jannen met de pet’ (zoals ze in Morgen gratis koffie worden genoemd), die bij niet minder dan 45.000 kroegen hun alcoholpromillage hoog konden houden. Hun loonzakjes waren vaak al halfleeg voordat ze moeder de vrouw haar huishoudgeld konden geven. Een maatschappelijk probleem dat moest worden opgelost door de oprichting van consumptiekiosken zonder alcohol, de voorlopers van de koffietenten.


Er werden meer dan vijftig koffietenten door de hele stad opgetrokken. Eén van de eerste stond op de Grote Markt. Waarschijnlijk heeft deze kiosk het loodje moeten leggen door de verhuizing van de Haagse Markt naar de Herman Costerstraat in 1938. Veel koffietenten zijn gesneuveld of hebben hun koffiepot verruild voor een frituur, maar toch zijn er nog een stuk of dertig in de stad te vinden. Bekende authentieke koffietenten die de tand des tijds hebben doorstaan zijn Leny 2, Annie 3, De Twee Dennen 4 en De Aanloop 5. IJssalon Florencia 6 is een verhaal apart. Inpandig en beroemd vanwege het ijs, zou je het geen koffietent kunnen noemen, maar toch vervult de oude zaak op de Torenstraat al sinds de 1932 een dergelijke functie. ‘De Haagse zuinigheid’ is volgens Frans debet aan de houten keetjes die ook nu nog langs de weg staan. Wie in de jaren vijftig in de bouw werkte, hoefde van zijn opdrachtgever geen bakkie te verwachten. Hij moest dus schaften buiten de deur, met een meegebracht broodtrommeltje, hooguit een huisgemaakt broodje bal, maar altijd een koffie van Leny of, tegenwoordig, van haar dochter. Voor de deur van De Prinsenvink staat de glimmende SUV van de gestropdaste verzekeringsagent naast het groezelige bestelbusje van de glazenwasser. Beiden komen in de wijk om langs de huizen te gaan. Ze treffen elkaar in De Prinsenvink, net zoals dat honderd jaar geleden gebeurde. ‘De sfeer is hetzelfde gebleven’, vermoedt Frans. ‘Koffietenten zijn klein. Binnen zit je vlak tegenover elkaar, dus je moet wel contact maken.’ En zo kunnen de bezoekers klussen uitwisselen. De schilder heeft nog wel een tip voor de loodgieter, of andersom. ‘Een clubhuis waar je geen lid van hoeft te zijn’, zo omschrijft eigenaar Frank van der Valk zijn koffiehuis. ‘Het mooist is de Haagse humor, het cynisme en altijd het laatste woord willen hebben. En er is altijd een krant. Ze lezen hier alleen de koppen en hebben meteen een oordeel.’

Een artikel in foodprint stadsgids Den Haag.